
Waarom zijn executieve functies zo belangrijk?
Executieve functies geven sturing aan het leren leren, zorgen voor het goed omgaan met sociale situaties en met nieuwe, uitdagende taken. Executieve functies zijn de sleutel tot zelfsturing: zelfstandig kunnen handelen in diverse situaties. Als een kind over sterke executieve functies beschikt, is het beter in staat zijn aandacht ergens bij te houden, opdrachten met meerdere stappen te onthouden en zijn emoties te reguleren. Executieve functies zijn dus essentieel.
Dagelijkse routine
Je hoeft geen ingewikkelde lessen in te plannen om te kunnen werken aan de executieve functies. Je kunt aanpassingen doen in de dagelijkse activiteiten en routines om de kinderen ermee te laten oefenen. Denk bijvoorbeeld aan de volgorde van opruimen, de complexiteit van een knutselopdracht of hoe je een nieuw spel introduceert. Bied een knutselopdracht aan aan de hand van verschillende stappen die je hebt uitgewerkt samen met de kinderen of geef eens meerdere opdrachten tegelijkertijd. Bijvoorbeeld wanneer je gaat buitenspelen: ‘Ruim je tas op, pak je jas en kom in de klas.’ Hiermee doe je een beroep op het werkgeheugen. Hoe vaker je inzet op de executieve functies, hoe beter de kinderen de functies ontwikkelen.
De executieve functies in de praktijk
Manon en Renate merken dat er met kleine aanpassingen in het dagelijks lesgeven al gewerkt wordt aan de ontwikkeling van de executieve functies. Niet alleen aanpassingen, maar ook de bewustwording zijn helpend om in de klas meer nadruk te leggen op de functies. De executieve functies zijn te verdelen in drie kerngroepen: gebaseerd op het denken, handelen en reguleren.
Het denken
- Inhibitie (impulsbeheersing): De rem op je automatische reactie. Bij Manon in de klas oefenen kinderen dit doordat Manon af en toe een rood stoplicht gebruikt. Als het stoplicht op rood staat, mogen de kinderen niet met elkaar praten. In de klas merkt ze dat sommige kinderen graag iets willen zeggen, maar toch wachten totdat het stoplicht weer op groen staat. De kinderen leren hiermee hun impulsen te beheersen. Ze oefenen door eerst te stoppen of te wachten, terwijl ze eigenlijk iets anders zouden willen doen. Manon maakt ook gebruik van een rode ketting in de klas. De kinderen mogen op dat moment haar niet storen. Ze leren omgaan met uitgestelde aandacht. Bij Renate in de klas wordt er tijdens de inloop van de dag een kleine kring georganiseerd. De kinderen zien dat Renate bezig is en dat ze niet beschikbaar is voor vragen. Soms zijn er toch kinderen die iets willen vragen, naar de kring toekomen en dan realiseren dat het niet kan. Ze gaan op zoek naar iemand in de klas die wel beschikbaar is; op deze manier leren ze hun impulsen te beheersen.
- Werkgeheugen: Informatie tijdelijk vasthouden en bewerken om een taak uit te voeren. Geef bijvoorbeeld een serie opdrachten die een kind moet uitvoeren. ‘Pak een plakselpot, kwastje en schaar.’ Het kind zal, terwijl het de materialen gaat pakken, de woorden in het hoofd herhalen. Het kind moet de informatie vasthouden, terwijl het naar de kast loopt en spullen zoekt.
- Cognitieve flexibiliteit: De mogelijkheid om te schakelen tussen verschillende taken, regels of perspectieven. In de klas kun je dit stimuleren door bijvoorbeeld bij een spel in de speelzaal of buiten ineens de regels te veranderen. Je vraagt op dat moment aan het kind om zich aan te passen aan de nieuwe situatie. Daarnaast leren ze te accepteren dat omstandigheden kunnen veranderen.
Het handelen
- Planning: Vooraf bedenken welke stappen je moet zetten om een doel te bereiken. In de klas zien we dat kinderen voorafgaand aan het spel in de bouwhoek al bedenken wat ze gaan maken. Ze overleggen met elkaar, bepalen wat ze nodig hebben en verdelen de taken. Manon maakt aan het begin van de week een plan, samen met de kinderen, voor het maken van de knutsel. Eerst geeft ze mondelinge instructie en daarna bepalen ze met elkaar welke stappen ze moeten doorlopen om tot het eindresultaat te komen. Bij Renate werken de kinderen elke week voor een magneet (die staat voor een taak). Wanneer ze dit doen, mogen de kinderen zelf weten, als het aan het einde van de week maar is gebeurd.
- Organisatie: Materialen en informatie structureren en ordenen. Denk hierbij aan het klaarleggen van de juiste materialen als ze aan het werk moeten. Of aan het bedenken wat ze nodig hebben bij het uitvoeren van een (speel)plan in de huishoek, bouwhoek of in de themahoek. De kinderen pakken zelfstandig materialen of overleggen met de leerkracht om met elkaar hun materialen te verzamelen.
- Doelgericht gedrag: Een doel stellen en dit vasthouden, ook als er afleiding is. De kinderen in zowel de klas van Manon als Renate bedenken van tevoren een plan bij het spelen of bouwen. ‘Wat ga je maken? Wat ga je spelen?’ In overleg met Manon of Renate spreken ze een duidelijk einddoel af waarop ze hun handelen aanpassen.
Het reguleren
- Timemanagement: Tijd inschatten en efficiënt inzetten. Timemanagement komt later van pas, maar de basis wordt in de kleuterklas gelegd. Bijvoorbeeld door bij het spelen en werken aan te geven dat de kinderen nog vijf minuten hebben, of maak gebruik van een timer op het bord of een zandloper, zodat de kinderen zichtbaar zien hoe lang ze nog hebben.
- Metacognitie: Het vermogen om over je eigen denken na te denken en je aanpak aan te passen (zelfreflectie). In elke klas wordt gepuzzeld. De kinderen passen, draaien of proberen het stukje ergens anders. Ze denken bewust na over hun eigen handelen. Als leerkracht kun je ook aandacht besteden aan de metacognitie door na afloop van een activiteit te reflecteren met de kinderen. In de klassen van Manon en Renate kijken de kinderen na het speel- en werkmoment terug op wat ze hebben gedaan, hoe ze het hebben gedaan, of ze het anders hadden kunnen doen, wat ze geleerd hebben en of hun plan gelukt is. In tweetallen overleggen de kinderen hierover met elkaar. Wil je meer ideeën over hoe je dit kunt aanpakken? Lees dan deze blog: Reflecteren met kleuters.
Executieve kaarten
Wil je zelf ook meteen aan de slag met executieve functies? In deze download vind je een set kaarten met allerlei leuke activiteiten die je bewust maken van de executieve functies en deze gericht stimuleren. Door de kaarten consistent te gebruiken, wordt het inzetten van de executieve functies steeds meer een routine. Denk bijvoorbeeld na afloop van een activiteit aan het opsteken van de duimen om te bepalen of kinderen de activiteit moeilijk of makkelijk vinden. Hoe vaker je dat doet, hoe meer het een ingeslepen gewoonte wordt. Ook de kaart over de gevoelsthermometer kun je dagelijks inzetten, bijvoorbeeld bij het oplossen van een conflict. Vraag de kinderen hoe ze zich voelen aan de hand van de thermometer. Op die manier leren ze hun eigen gevoelens herkennen en benoemen.
We hopen dat je door deze blog geïnspireerd bent geraakt om (nog meer) te werken aan de executieve functies in de klas. Ben je nieuwsgierig naar hoe dit er bij ons in de praktijk uitziet? Volg ons dan op onze Instagramaccounts @juffie_manon en @jufrenate. Werk jij wel eens aan executieve functies of heb je zelf nog leuke suggesties? Deel ze dan met ons via de Facebookgroep Vrienden van Kleuteruniversiteit.


